Zomeravond

Deze tekst is geschreven en opgevoerd in opdracht van Tilt festival, 17 maart 2018, in samenwerking met muzikant/componist Sjoerd de Roij. In iets gewijzigde vorm is de tekst gepubliceerd door literair tijdschrift Revisor.

 

Zomeravond

Het is bijna donker, een zomeravond rond een uur of tien. Het water reflecteert gebroken licht, ik weet niet waar het vandaan komt, ik zie geen maan en er staan hier geen lantaarnpalen, alleen verderop, langs de weg. Het grindpad is ongeveer een halve meter breed, je kunt hier niet naast elkaar lopen.

Mijn vader loopt een meter of drie voor me uit. Hij heeft een kwartier geleden een auto tegen een boom geparkeerd. Een paarse Mercedes, de Mercedes van de vrouw van zijn beste vriend.

Ik zat ook in de auto. Nu loop ik achter hem, op het dunne pad langs de Vecht. Ik kijk naar mijn vader, hij loopt langzaam, hij heeft moeite met lopen. Hij is straalbezopen. De trefzekerheid die zijn woorden hebben als hij gedronken heeft, heeft zijn lichaam niet. Ik houd mijn passen in, ook als hij stilstaat zorg ik dat ik afstand bewaar.

Een verkeerde stap, een voet die wegglijdt, een rare draai met zijn lijf en hij flikkert het water in. En dan? Duik ik hem dan achterna? Probeer ik mijn armen om dat logge lijf te slaan om vervolgens samen met hem weer naar de kant te zwemmen? Ik kan beter het water niet ingaan maar op de kant blijven, door mijn knieën zakken of gaan liggen en proberen zijn hand, zijn onderarm te pakken te krijgen zodat ik hem weer op het gras kan hijsen. Ik zal de kraag van zijn overhemd grijpen, maar de stof zal scheuren en hij zal terug het water in vallen en ik zal daar zitten met dat stuk katoen in mijn hand. Ik moet de band van zijn spijkerbroek pakken. Of mijn handen onder zijn oksels duwen en hem zo de kant op sjorren. 

Hoe zwaar zal dit lichaam zijn als het niet meegeeft? Als ik hem, ons, niet boven water krijg en hij weigert los te laten? Wij gaan niet alle twee naar de bodem zinken. Ik kijk naar zijn benen, de schoenen die wankelend hun weg zoeken. Gewoon recht vooruit man, loop door.

We laten de hond uit. De hond van mijn vaders beste vriend. Mijn vader kent zijn verantwoordelijkheid, de hond van zijn vriend moet uitgelaten worden. 

Ik zat naast mijn vader in de auto toen hij op de snelweg de vangrail schampte en een kwartier later de auto op de oprit van het huis tegen een boom aan reed.

De hond loopt voor ons uit, soms wacht ze tot mijn vader op gelijke hoogte met haar komt, om dan weer weg te springen. Ze rent vooruit, op het pad, en blaft. Ze heeft net geplast, tegen de eerste boom die ze zag, ze had op ons gewacht.

‘Het was een ongeluk,’ zei mijn vader toen hij de sleutel uit het slot haalde. De motor was afgeslagen door de klap. ‘Als ze ernaar vragen, het was een ongeluk.’ Ik zei niks, ik knikte niet, ik schudde mijn hoofd niet. ‘Gaat het?’ vroeg hij. Hij legde zijn hand op mijn knie. Ik duwde het portier open en stapte de auto uit.

Sommige verhalen zijn te groot voor één iemand. Wat er gebeurde in het leven van mijn vader was te groot voor hem. Was hij een schrijver geweest, had hij erover kunnen schrijven. Was hij een prater geweest, had hij erover kunnen praten. Maar mijn vader is geen schrijver en ook geen prater, mijn vader is een drinker.

Sommige verhalen kennen zo veel meer vertakkingen dan we vermoeden. Ze zijn niet te ontrafelen en daardoor niet deelbaar maar de wortels en vertakkingen zoeken hun eigen ongeleide weg naar buiten. Ze moeten ergens heen.

Mijn vader staat stil, heeft het pakje shag uit zijn borstzak gepakt. Deze verfijnde motoriek laat zich door geen enkele hoeveelheid alcohol belemmeren, zijn vingers plukken, verdelen, rollen gedachteloos. Hij steekt zijn sjekkie aan, even is er licht. Ik kijk weg, wil zijn gezicht niet zien.

Ik stond erbij en keek ernaar. Die vrouw, die een paar jaar zijn vrouw was geweest, was ook op het feest. Het huis was bij lange na niet groot genoeg voor deze twee om elkaar een avond lang te ontwijken. En hé, we zijn volwassen, en laten we niet kinderachtig doen, laat onze vrienden zich niet in bochten hoeven te wringen.

Ik weet hoe ik mezelf in moet zetten als golfbreker, als pion, me schrap zetten en tegelijkertijd lichtvoetig door de ruimte bewegen. Glimlachen. Ik trok mijn oliejas aan, liet alles van me afglijden. Daar stond ik, een prachtige namiddag in juni, vierentwintig graden, zwetend in die veel te zware jas op dit feest, tussen al die volwassenen en hoewel ik al bijna geen kind meer ben voelde ik me wel zo. ‘Pap,’ zei ik toen hij zijn zesde biertje openmaakte. Daarna deed ik een zonnebril op en zette de kraag van de jas omhoog.

Mensen feliciteerden me met het havodiploma dat ik een paar weken daarvoor had gehaald. Mensen vroegen wat ik nu ging doen. Mensen vroegen of ik vakantieplannen had. Hoe het met mijn zusje ging.

Waarom zei niemand iets toen mijn vader zich genadeloos vol liet lopen? Waarom legde niemand een hand op zijn schouder? Waarom was er niemand die de autosleutels afpakte? Waarom trok niemand mij uit die auto? Het is zijn leven, het is privé, wij zijn zijn beste vrienden maar bemoeien ons daar niet mee. Iemand zei: ʻWees voorzichtig. ʼ

ʻZe heeft gepoept,ʼ zegt mijn vader. ʻWe kunnen terug.ʼ Ik draai me om, nu loop ik voorop. Ik hoor de hond aan komen rennen, ze haalt me in, stopt, draait zich om, kijkt, wacht. Wat wil je beest, de roedel bij elkaar houden? Ik kijk naar de hond. Achter me hoor ik mijn vader zwaar ademen, af en toe hoesten.

Sommige verhalen dringen zich op. Bij sommige verhalen heeft het geen zin je handen tegen je oren te drukken omdat ze niet van buitenaf komen.

Als de hond nu blaft, nu een paar keer heel hard blaft, zal ik niet horen hoe het lichaam van mijn vader het water raakt. Het laatste licht is weg, ik zal niet kunnen zien waar precies hij viel. Alleen wat kleine golven in het water, vanaf een onzichtbaar centrum naar de kant.

Maar het beest houdt zich stil, en ik hou me stil, en mijn vader houdt zich stil en dan rochelt hij en spuugt in het water en ik schop tegen een steen en de steen schiet langs de hond en de hond blaft.