De mooiste steentjes van de oprit verzamelen in een boterhamzakje. Me verstoppen in het schuurtje. Houtblokken doorzagen met de zaag waar ik niet aan mag komen. In bomen klimmen. Steentjes uit het boterhamzakje uit de boom laten vallen. Bij mama op schoot gaan zitten. Kijken hoe oma wortels raspt. Niet helpen. Op bed gaan liggen en de houten planken van het plafond tellen. Met de stopwatch in mijn hand rondjes om het huis rennen. Tellen hoeveel stappen het is om een rondje om het huis te maken, grote stappen. In de auto gaan zitten, mijn handen aan het stuur, en op wereldreis gaan.
‘Geen vreemde worden hoor,’ riep mijn oma toen we wegreden.
‘Moet jij zeggen’, zei ik, zachtjes, terwijl ik mijn arm naar buiten stak door het open gedraaide raampje en naar ze zwaaide. Mijn moeder vond dat ik me aanstelde. Het is toch familie, dat worden nooit vreemden. Nee, nee. Het zal wel. Ik besloot nog een paar maanden te wachten, tot mijn verjaardag. Als ik niet op z ’n minst een kaart zou krijgen, ja, dan zou ik ze tot vreemden verklaren.
Er kwam geen kaart. Wel een cadeautje, een week later. Helemaal uit Frankrijk, zei mijn moeder, maar er zat een sticker van de Speelboom op. Van mijn moeder moest ik een briefje aan opa en oma schrijven, om ze te bedanken voor het cadeau. ‘Bedankt voor de pennenbak,’ schreef ik. Meer niet.
